 |
 |
| |
 |
 Zo vanzelfsprekend
Persoonlijk
|
13 September 2011 | 00:18:33
 |
“…. En als ik achtentwintig ben dan nemen we kinderen” hoorde ik haar zeggen. Zomaar een flard van een gesprek, pas geleden, ergens in een café.
Dan nemen we kinderen. Het fragment brengt me terug naar augustus 2006. Monique was net twaalf weken zwanger; een lang gekoesterde wens ging in vervulling, onze tweede was onderweg.
Dat weekend waren we bij Monique’s moeder, in Geleen. Ze vierde haar zestigste verjaardag; grote tent in de tuin, biertapinstallatie, lekker eten en veel visite. Wij hadden vervanging geregeld op de winkel, zodat we er bij konden zijn op vrijdagavond.
Zaterdag zou nu een vrije dag voor ons zijn. Lekker lang weekend dus, en we verheugden ons er op. Zaterdagavond klaagde Monique voor het eerst over buikpijn. Kramp. Ze was bezorgd en voelde intuïtief dat er iets niet in de haak was. Zondagochtend pas konden we terecht in het ziekenhuis in Sittard.
Waar de eerste echo van je kind een feestje zou moeten zijn, stortte onze wereld in; er klopte geen hartje meer. We werden naar huis gestuurd en moesten maar afwachten.
“Het vruchtje komt vanzelf af” zo werd mij verzekerd. Wel werd mij verzocht om in de gaten te houden dat dit ook daadwerkelijk zou gebeuren omdat anders een medische interventie nodig zou zijn. En ergens in de middag gebeurde dit dan ook. Monique voelde het, nadat ze naar het toilet was geweest. Ze riep me, schreeuwde, gilde. En huilde. Nadat ik eerst Monique opving, overtuigde ik mezelf ervan dat datgene wat in de wc lag ook werkelijk het vruchtje was, zoals mij door het ziekenhuis was opgedragen. Huilend drukte ik op de knop om door te spoelen.
’s Avonds zijn we naar huis gereden, als in een roes. Beiden hadden we het gevoel dat we iets achterlieten, iets wat bij ons hoorde, deel was van ons. We voelden ons leeg.
December 2010 is onze Jens geboren, maar niet nadat het nog vijf keer mis ging. Toen Monique in februari van 2010 gecuretteerd moest worden, gaven we de hoop op. Het zat er gewoon niet in. We leerden dat je moet kijken en genieten van datgene wat je hebt, niet van dat wat je wilt. Dat het leven niet vanzelfsprekend is. En als afsluiting voor mezelf liet ik een tatoeage zetten: de weegschaal voor Kaj, en zes kleine sterretjes eromheen. Op mijn hart.
Een week later belt Monique mij tijdens het werk: ”Volgens mij ben ik zwanger”. Sceptisch geworden is mijn eerste gedachte dat er altijd nog een sterretje bij te zetten is.
Het werd een boogschutter.
|
|
|
 |
 |
 De tandarts
|
30 Juli 2011 | 17:01:29
 |
Ik ben bang voor de tandarts.
Zo. Dat is er uit. Ja, stoere vent, grote bek. Bang voor de tandarts. Om te gillen.
Ergens onderweg ging het mis, lang geleden. En het gevolg was dat ik zo’n twintig jaar niet naar de tandarts ging. Godzijdank kreeg ik van mijn ouders een ijzersterk stel tanden mee en deden er zich geen klachten voor. Zelfs geen bloedend tandvlees.
Het is nooit met zekerheid duidelijk geworden waar ik nu precies bang voor ben.
Het geluid van de boor, werd weleens geopperd. Maar het geluid van een draaiende en gillende motor kan mij wel bekoren; ik ben helemaal idolaat van het gegil van een voorbijrazende formule 1 bolide. Dit kon het dus niet zijn.
Het is eerder de associatie van de bij dit geluid behorende nare pijn die mij rillingen doet bezorgen. Maar met een simpel prikje worden de betreffende zenuwen tijdelijk lam gelegd en is er van pijn geen sprake meer.
Het idee van een onbekend iemand die jou achterover legt, en bakje met instrumenten links over je heen trekt en zelf aan de rechterzijde over je heen komt hangen waardoor je weerloos bent, geen kant meer op kunt, verwordt tot een onwetend en weerloos slachtoffer; dáár heb ik de pest aan.
Terwijl ik bezig was bang te zijn en redenen te verzinnen waar dit bang zijn door veroorzaakt werd, studeerde mijn zusje af aan de RUG. Studie tandheelkunde. Hoe paradoxaal. En na lang aandringen wist ze me dan eindelijk in de stoel te krijgen.
Wetend waar mijn diepgewortelde angst vandaan kwam ging ze zeer omslachtig te werk. Bij alles wat ze deed gaf ze uitleg en vertelde wat ik zou gaan voelen. De pijn kreeg een waarde van nul tot vijf zodat ik niet al te zeer zou schrikken.
Toen er een vulling vervangen moest worden vond ze het vanzelfsprekend dat ik verdoofd zou worden. Ook bood ze aan eerst de oppervlakte te verdoven zodat ik ook het prikken van de eigenlijke verdoving niet zou voelen. Ik knikte heftig: ja, doe dat maar.
Dat de assistentes daar later smakelijk om hebben gelachen, en dat zo’n oppervlakte verdoving eigenlijk voor kinderen is bedoeld, hoorde ik later pas.
Het valt mijn zusje overigens te prijzen dat ze niet de kans heeft waar genomen de ultieme wraak te nemen. Als jongere zus ben je immers in je kindertijd het slachtoffer van de pesterijen van je grote broer. Tenminste; wel als ik je grote broer was.
Of misschien nam ze toch de ultieme wraak door tandarts te worden en valt mij dat nu pas op (…)
Vervolgens stuurde ze me door naar de mondhygiëniste. Deze ontving waarschijnlijk uitgebreide uitleg omtrent mijn persoon; ook zij nam ruim de tijd om alles uit te leggen en toe te lichten.
Inmiddels ben ik een wortelkanaalbehandeling en een eerste sessie bij de mondhygiëniste verder en ik moet eerlijk bekennen dat het me over het algemeen meevalt.
De angst zal wellicht nooit helemaal verdwijnen, en een beste vriend zal de tandarts niet worden. Maar met een knoop in de maag op zondag naar m’n zus; dat is verleden tijd.
|
|
|
 |
 School
Persoonlijk
|
28 Maart 2011 | 00:21:11
 |
|
Als ik terug denk aan school, dan bewaar ik daar in het algemeen niet de beste herinneringen aan. Ik was niet het type dat de hele dag rustig binnen kon zitten. Elke vogel zag ik vliegen, elke vlinder fladderen. Liever was ik buiten, zelf ontdekken wat het leven precies inhield. Wat kon nu het nut zijn van staartdelingen, de tafel van één tot en met tien foutloos opdreunen en eindeloze breuken breken?
Moeite had ik ook met autoriteit, en dat is nooit helemaal over gegaan. Met de meeste van mijn leraren of vrouwelijke varianten daarvan had ik geen opperbeste relatie. Maar de lerares in de vijfde klas is me in het bijzonder bij gebleven. Ze stond er om bekend sommige kinderen van een scheldnaam te voorzien, en op school ging zelfs het gerucht dat ze iemand letterlijk aan de haren uit het lokaal had gesleept. Geen beste dus.
Het was deze dame waar we op een middag, tijdens de één of andere onduidelijke les, woorden moesten raden. Zij gaf een raadsel op waarna wij het antwoord moesten geven. Dat klinkt gemakkelijker dan het was.
“Het heeft witte veren en legt eieren” luidde zo’n vraag.
“Een kip” was dan het antwoord van iemand in de klas waarop jufrouw antwoordde: “dat had gekund, maar ik bedoelde een gans.
“Het eet gras en geeft melk” was jufrouw’s volgende vraag.
“Een koe” riep dan iemand, die de beurt kreeg nadat ‘ie z’n vinger had opgestoken. Ja, zo ging dat vroeger; je moest je vinger opsteken en dan kreeg je de beurt.
“Een koe, had gekund. Maar eigenlijk bedoelde ik een geit”.
Dit ging tot grote ergernis van de gehele klas nog een tijdje door. Raadsel na raadsel werd bedacht, maar telkens waren er meerdere antwoorden mogelijk zodat de klas er telkens naast zat. Niet erg motiverend.
Ik stak mijn vinger op en toen de juf mij de beurt gaf vroeg ik haar: “het gaat hard in de mond en komt er zacht weer uit?”
Ze kleurde rood tot ver achter haar horen en stotterde van woede.
“jij … jij …” stamelde ze.
“Ja” zei ik, “dat had gekund. Maar ik bedoelde kauwgom.”
|
|
|
 |
 Robert Mikelsons
Persoonlijk
|
10 Maart 2011 | 23:20:20
 |
Wie zegt u? Robert Mikelsons? Nooit van gehoord. Had ik me echter de moeite gespaard van het volledig uittypen van een achternaam, en me beperkt tot de hoofdletter “M” dan had u wellicht geweten over welke Robert het gaat. Precies; Robert M. Hoofdverdachte in de omvangrijke Amsterdamse zedenzaak. Vreemd dus, dat één enkele letter soms meer zegt dan een uitgeschreven naam.
Robert M.
Hij werkte in verschillende kinderdagverblijven, waaronder “Het Hofnarretje” en “Jenno’s Knuffelparadijs”. Wellicht dat hij door een wat minder goede kennis van de Nederlandse taal – hij is tenslotte een Let – de naam “Jenno’s Knuffelparadijs” foutief geïnterpreteerd heeft, en ligt daarin de oorzaak voor het plegen van zijn misdaden opgesloten.
Naar nu blijkt is er reeds in 2008 door een moeder van één van de misbruikte kinderen melding gemaakt van mogelijk misbruik. Dit was naar aanleiding van wat haar zoontje haar had verteld. Het had te maken met uitkleden en lichaamsdelen aanraken.
De directeur van “Het Hofnarretje” , Albert Drent, deed het af met de opmerking dat kinderen onder de vier jaar een rijke fantasie hebben. In een persoonlijk gesprek tussen de betreffende moeder en de directeur, waarbij ook Robert Mikelson aanwezig was, schijnt de directie het zelfs voor hem te hebben opgenomen.
Ook de politie is niet verder gekomen dan in contact te treden met de directie van “Het Hofnarretje” maar vonden daarin geen aanleiding voor strafrechtelijk onderzoek, aldus Jelmer Visser, chef zedenpolitie Amsterdam.
En omdat Albert D. en Jelmer V. twijfelen aan het beoordelingsvermogen van een moeder kon Robert Mikelson z’n gang gaan. Kinderen werden van hun onschuld beroofd. Gedrogeerd. Betast, verkracht. Vandaag werd naar buiten gebracht dat kinderen van een jaar werden gepenetreerd.
Ik ben niet direct vóór de doodstraf, maar kunnen we niet zo af en toe eens een uitzondering maken?
Bron: http://www.inwonersnieuws.nl/update-zedenzaak-robert-mikelsons-amsterdam
|
|
|
 |
 Recensies en internet
|
08 Maart 2011 | 00:32:07
 |
Vanavond, in de auto, luisterde ik naar een telefonisch interview door Jeroen van Inkel met restaurant Manna in Nijmegen. Het ging over een aantal negatieve recensies op het internet over dit restaurant. De geïnterviewde, waarvan ik de naam niet meekreeg maar waarvan ik vermoed dat het de eigenaar was, beklaagde zich over de anonimiteit van de recensenten. “Iedereen kan maar schrijven wat hij wil” zo vond hij, en stipt genomen had hij gelijk.
Bij Manna in Nijmegen hebben ze nu iets bedacht om het aantal positieve recensies op te krikken: studenten worden uitgenodigd een positief verhaaltje te vermelden, en in ruil daarvoor ontvangen ze een doosje Rosé. Zes flessen maar liefst.
Nieuwsgierig geworden door dit interview ben ik opzoek gegaan naar recensies en ik kwam terecht op www.iens.nl. Naast een aantal positieve indrukken stonden er ook een aantal matige en zelfs slechte tussen. Uiteraard geheel anoniem. We weten dus niet over de schrijver, of schrijfster, daadwerkelijk een maaltijd heeft genuttigd in Manna, maar laten we ervan uit gaan dat dit wel het geval is.
“We hadden hoge verwachtingen, maar het viel behoorlijk tegen” zo luidt de inleiding van een met “matig” beoordeelde recensie.
Maar wat zegt dit nu daadwerkelijk over het restaurant? Dat ze de verwachtingen niet kunnen waarmaken? Wellicht waren de verwachtingen van de schrijver niet realistisch. Is hij of zij gewoon een verwend kreng en is het Godsonmogelijk om het hem of haar naar de zin te maken. Zulke mensen lopen er nu eenmaal rond.
“Gastvrouw praat alleen met mensen uit haar wereld” schrijft een ander. Of “bediening wat stijfjes maar wel correct”.
In het voorbeeld van de gastvrouw vindt de criticus zichzelf wellicht zo belangrijk dat men er op staat een persoonlijk gesprek met de gastvrouw te voeren. In het laatste voorbeeld was de bediening in een andere situatie wellicht “te informeel” geweest.
Recensies. Ik kan er niet zoveel mee. Ja, wanneer ik vaker dan drie keer verbrande krieltjes, koud vlees of bedorven salade tegenkom, dan snap ik dat ik beter een ander restaurant ga bezoeken. Maar eerlijk gezegd; dergelijke tekortkomingen lees je niet.
Wat je wel te lezen krijgt zijn een aantal subjectieve waarnemingen waar mijns inziens teveel belang aan wordt gehecht, en niet in de laatste plaats door de eigenaar zelf, die dit wellicht als een persoonlijke aanval ervaart.
Door nu studenten recensies te laten plaatsen en ze hiervoor te belonen is op z’n zachts gezegd dom. De geloofwaardigheid van deze recensies – en misschien wel van recensies in het algemeen - wordt nog verder aangetast en de publiciteit die dit met zich meebrengt is niet van het soort waar je als hardwerkende ondernemer op zit te wachten.
Laten we eerst eens beginnen met het recenseren van recensiesites.
|
|
|
 |
 Dat hadden ze vroeger niet
Persoonlijk
|
15 Februari 2011 | 14:23:14
 |
Stipt om negen uur vanochtend was ik er, zoals afgesproken. Er zit veel lucht in hun nieuwe waterbed, en wij hebben daar middeltjes en trucjes tegen.
“Hun” is in dit geval een wat ouder echtpaar; ik schat ze ergens in de zestig. Hij is z’n leven lang vertegenwoordiger geweest, en nog altijd rap van tong. En zij ziet er uit om door een ringetje te halen, zelfs nu, om negen uur ’s morgens.
Ze wonen mooi. Een groot vrijstaand huis, leuke tuin met zwembad. Het komt ze aan niks te kort.
Nog niet zo heel lang geleden kochten ze bij ons hun derde waterbed. Het bevalt ze prima, alleen de lucht die er in het begin vaak inzit, wil niet echt verdwijnen. Omdat het bed daardoor minder lekker ligt hebben ze gebeld. Zo hadden we dat ook afgesproken.
Als het bed is afgehaald kunnen we aan de slag: watermonstertje nemen om de PH-waarde en de hardheid vast te stellen. Daarna het betreffende middel toevoegen, ontluchten en instructies geven voor de komende zes weken. Dan moet het goed zijn.
Wanneer we het bed weer opmaken valt er een gebruikt condoom tussen het beddengoed uit op de grond. Een rode. En even weet ik niet goed wat met de situatie te doen.
“Stel dat de vrouw des huizes er een vriendje bij heeft, en meneer er niks van af weet” is m’n eerste gedachte. Ik zie al helemaal voor me hoe meneer met het stukje racerubber tussen duim en wijsvinger de trap afvliegt op zoek naar z’n vrouw die in de woonkamer is gebleven.
“Dat wordt een leuke blog” dacht ik nog.
Ik besluit op dat moment om te doen alsof ik niks heb gezien, maar realiseer me ook al gauw dat dát nergens op slaat; ik kan het onmogelijk gemist hebben.
“D’r is ook iets op de grond gevallen” zeg ik zo neutraal mogelijk terwijl ik met mijn hoofd naar de grond knik.
Als meneer om het bed heen loopt speurt hij de grond af, benieuwd naar wat ik zojuist heb zien vallen.
“Nu komt het” denk ik nog.
Lachend pakt hij het verfrommelde condoom van de grond.
“Nog van gistermorgen” lacht hij.
“Met aardbeismaak; dat vindt m’n vrouw lekkerder”.
|
|
|
 |
 Die bivakmuts past ons allemaal
Persoonlijk
|
10 Februari 2011 | 21:34:37
 |
Ergens eind januari werd hij door een motoragent van het Korps Landelijke Politie Diensten op de A28 naar een parkeerplaats geleid. Een algemene verkeerscontrole; autopapieren, APK-rapportage, controle van de banden en de verlichting. U kent het wel.
Voor iemand van eenentwintig die nog niet zo heel erg lang z’n rijbewijs heeft een heel avontuur. “Heb ik m’n papieren wel in orde, zijn m’n banden nog goed, doen alle lampjes het wel?”.
Maar Erik’s auto heeft pas een APK gehad, en verkeerd in goede staat. Niets dus om druk over te maken.
Nadat de auto is geïnspecteerd door twee heren in het bekende leer, vragen ze of ze de binnenkant van de auto mogen inspecteren. Dat mag.
In het dashboard kastje treffen ze twee bivakmutsjes aan. Erik gaat met een goede vriend regelmatig karten. En de helm die je in een dergelijk kartcentrum krijgt aangereikt wordt door Jan en alleman gedragen.
Ooit tien minuten een kart over de baan gejaagd? Ik kan u verzekeren dat daarbij het nodige wordt getranspireerd. De aangereikte helm is dan ook verre van fris. De vlekken zitten aan de binnenkant vaak in de voering, en het odeur van de vorige, tijdelijke eigenaren komt je tegemoet. Wat een gezellig avondje uit moet worden kan door zo’n helm, en de gedachte aan zweterige, onbekende hoofden veranderen in een race naar de finish waarbij het sport is je zojuist genuttigde lekkers zo lang mogelijk binnen te houden.
Vandaar de bivakmutsjes.
Volgens oom agent is het voorhanden hebben van dergelijke mutsen niet toegestaan, en ze worden dan ook in beslag genomen. Dit omdat deze ook voor “andere doeleinden gebruikt kunnen worden”.
Ja, zo lus ik er nog wel één. Wat is het volgende: auto in beslag nemen omdat je - naast het te gebruiken als vervoersmiddel - ook zou kunnen inzetten bij een ramkraak?
Een bewijs van in beslag name wordt echter niet gegeven, hetgeen wel gangbaar is in Nederland. Vreemd?
Ergens in Drenthe rijden op dit moment twee stoere motormuizen rond met lekkere warme oren onder hun helm.
|
|
|
 |
 Leggings
Persoonlijk
|
23 Januari 2011 | 00:43:23
 |
Jaren lang zag ik ze niet maar onlangs kwam ik ze tegen, aangeboden in de één of andere folder. En daarna zag ik ze weer volop in het straatbeeld: leggings.
Een legging houdt een beetje het midden tussen een maillot en een paardrijbroek. Nu vind ik een maillot meer iets voor jonge meisjes en zwarte pieten. En een paardrijbroek is meer bestemd voor - u raad het al – iemand die paardrijd.
En om in een paardrijbroek over straat te gaan, terwijl je geen paard hebt, vind ik ongeveer net zo vreemd als een leren motorpak dragen terwijl je geen motor hebt. Dat doet toch ook niemand?
Ergens in de tachtiger jaren waren ze “in”, de leggings. Toen mijn toenmalige vriendin dan ook mee ging doen met deze hype, en trots haar zojuist gekochte exemplaar aan mij showde met de vraag wat ik ervan vond, kon ik het niet opbrengen om tegen haar te liegen. Zelfs niet om bestwil. Ik zou waarschijnlijk ook ernstig door de mand zijn gevallen.
Een legging vind ik per definitie foeilelijk.
Wordt echter dit van zichzelf nogal vorm- en fantasieloze kledingstuk gedragen door iemand waarvoor het eigenlijk niet bedoeld was, dan vergaat mij werkelijk alle lust.
Leggings en corpulente dames lijken aantrekkingskracht op elkaar uit te oefenen. En begrijp me goed; ik heb niets tegen op corpulente dames, maar in sommige gevallen verdraagt je figuur nu eenmaal bepaalde kledingstukken niet.
Strak in het synthetische stofje verpakte, stevige kuiten zwiepen bij elke stap van links naar rechts heen en weer.
“Dat moet toch pijn doen” heb ik mezelf dikwijls afgevraagd, maar ik had nog nooit het lef dit op de vrouw af te vragen.
De bovenbenen deinen vrolijk mee en doen bij mij het beeld oproepen van een op de muziek van Frans Bauer meedeinende massa. In de uiterst rekbare stof die het achterwerk verpakt, tekent zich duidelijk zichtbaar de cellulitis af. Vooral bij de contouren van de slip is dit duidelijk waarneembaar.
Mocht nu de indruk ontstaan dat ik op openbare plekken geobsedeerd naar damesbillen loop te loeren dan wil ik die indruk graag wegnemen. Men hoeft namelijk in het geheel geen moeite te doen om het vorenstaande waar te nemen.
In het ergste geval is het T-shirt bij de broek ingestopt. De buik hangt dan lui over de broek en het shirt fungeert als een soort van hangmat waar je op een lome zomermiddag heerlijk in weg zou kunnen dromen.
Heerlijk vind ik het dat mensen zich vrij voelen, en zich niet generen voor zichzelf. Maar er is dan toch nog zoiets als rekening houden met een ander?
Zou er in de directe omgeving van deze dames dan werkelijk niemand zijn die eerlijk is? Om bestwil?
|
|
|
 |
 Wens
Persoonlijk
|
01 Januari 2011 | 16:36:49
 |
Op deze plek wil ik een ieder alle goeds wensen voor het nieuwe jaar.
Dat jullie gezondheid je niet in de steek laat, geluk je pad mag kruizen en liefde je deel zijn.
Ieko
|
|
|
 |
 De Kraamhulp
Persoonlijk
|
29 December 2010 | 20:22:25
 |
Waar je redelijk vroeg tijdens de zwangerschap van je vrouw in een wereld terecht komt die vreemd voor je is, zoals ik al eerder blogde, kom je in de loop van het zwanger-zijn in aanraking met instanties waar je ander niks mee van doen hebt.
Zo is er het consultatiebureau, het ziekenhuis natuurlijk en de kraamzorg. En met name deze laatste drukt een behoorlijke stempel op het geheel. Zij komen na de bevalling immers enkele dagen in-house.
Echt wéken voordat het zover is beginnen ze al met bellen:”Hebt u al een tasje klaar staan”?
“Het bed moet wel op blokken hoor, anders kunnen we uw vrouw niet verzorgen”.
Mijn reactie dat een tasje toch echt heel snel gepakt is, en wij slapen op een waterbed en dat dus het op blokken zetten van dit zevenhonderd kilogram wegende liefdesnestje geen optie is, werd geloof ik niet gewaardeerd.
“Kan nog gezellig worden” bromde ik tegen Monique.
Toen ik de zondags nadat Jens geboren is naar het ziekenhuis toog om Monique en de jongste spruit op te halen moest ook “de kraamvogel”, zoals de betreffende organisatie zich noemt, worden gebeld. En ’s middags rond een uur of twee was ze er al: een grote mevrouw, ik schat zo tegen de vijftig, die de opstart kwam doen.
Ik liep net de deur uit, met de kinderwagen, om deze in het vrieskoude buiten te luchten, toen ze aan kwam lopen.
“Ik wou net met de kleine een wandeling maken” grapte ik. Ze fronste de wenkbrauwen maar had in de gaten dat het flauwekul was toen ze zag dat het rijtuig leeg was.
Tegen het eind van de middag ontstond er een meningsverschil over het warm houden: één kruik op het voeteneind was volgens de opstartmevrouw genoeg. Maar in het ziekenhuis hadden we al geleerd dat de kleine tussen twee kruiken in moet liggen om warm te blijven.
’s Avond bleek dat we gelijk hadden; Jens’ temperatuur was gezakt tot onder de zesendertig en een halve graad. Te koud dus. Monique kwaad. En dan omschrijf ik het netjes.
“En als dat morgen ook zo gaat dan …” en ze foeterde nog een tijd door.
We besloten dat als we met de kraamhulp niet op één lijn zouden zitten we vriendelijk zouden bedanken voor de bewezen diensten, maar het dan toch liever in ons eentje zouden gaan doen.
En toen kwam Diana. Jong, vrolijk en spontaan. Dat was de eerste indruk, en die bleef ze de hele week bevestigen.
“Gewoon lekker doen wat je goed dunkt, dicht bij jezelf blijven” was haar advies.
Ze hielp met alles, leerde mij hoe zo’n kleintje in bad te doen, hem op de arm te nemen wanneer hij buikkramp heeft. Zij diende me van repliek als ik weer eens grappig wou doen. Ze was er voor Monique, geduldig, begrijpend en verzorgend. Ze gaf aandacht aan onze Kaj en was helemaal weg van Jens. Ze zorgde voor de beschuit met muisjes als er visite kwam.
Ze dacht met ons mee, en hield niet krampachtig vast aan allemaal regeltjes, zin en onzin.
We wisten direct dat het met ons en Diana wel goed kwam die week, en dat klopte.
“Ga je ook een blog over mij schrijven” vroeg ze, nadat ze wat van me had gelezen. En de laatste dag vroeg ze het weer, glimlachend. Want kraamhulpen zijn wel een dankbaar onderwerp voor een blog, zo vertouwde ze me toe.
Ik weet niet of je dit leest, Diana. Maar indien dat het geval is, kun je me dan nog eventjes laten weten hoe ik buikkrampjes herken? Dat had je er niet bij verteld. :)
Nogmaals, langs deze weg: heel, heel erg bedankt. Voor alles. En je hebt het voor mekaar: een blog, over jou.
|
|
|
|
|
|
|

|